

NIEK HENDRIKS
Drie vertellingen die ogenschijnlijk weinig met elkaar van doen hebben. Drie vertellingen die enkelingen schetsen op een keerpunt in hun leven, wanneer ze het kwetsbaarst zijn en meer door noodlot worden gedreven dan door vrije wil.
Terwijl de ene na de andere gebeurtenis in onafwendbaar tempo op hen afkomt, zijn ze zich nog altijd onbewust van de vernietigende gebeurtenis die hen straks ten deel zal vallen. Het eeuwige rad van oorzaak en gevolg kan slechts vreedzaam herroepen worden als men er open voor wil staan.
Allen, jong en oud gelijk, moeten zich behelpen met de boeien die zij bij geboorte meegekregen hebben. Dat is de wijsheid die ze in de loop van hun toekomstig leven moeten opdoen: dat het menselijk bestaan er onontkoombaar een is van voortdurend vallen en opstaan.
Er is geen ander pad dan dat door hogere machten bepaald is; en dat is dat er enkel één emotie is waarmee we onze eigen fouten en ons eigen falen met de mantel van de liefde zouden kunnen toedekken: erbarmen met onszelf, erbarmen met de ander.

NIEK HENDRIKS
Drie verhalen over evenzoveel vrouwen die wanhopig vechten voor hun leven, hun teloorgegane liefdes, hun verspilde dromen die in angst en boosheid zijn geëindigd. Ze hebben alles nagestreefd en op het eind zo goed als niets tot stand gebracht.
Gewikt, gewogen, gokkend ook dat ooit de dobbelsteen van het toeval hen wat beter welgezind zou zijn, proberen ze de laatste resten van hun eigenheid aan hun imaginaire zij te krijgen. Hun gelijk heeft hen de hoge prijs van eenzaamheid en blindheid voor de vele kanten van wat heel misschien ook waar zou kunnen zijn gekost;
Rest slechts de vraag of al dat absolute denken, vrouwen eigen, opgeleverd heeft waar zij desnoods met gemengd gevoel en samenhangend hartzeer op terug hadden willen kijken. De mannen in hun leven hebben steken laten vallen, voor de typisch masculiene, niet te delen vrede van hun zelfgenoegzaamheid en geestelijke ledigheid gekozen, iets dat hen al evenzeer heeft opgebroken als de vrouwen in de zelf gegraven valkuil van hun onvermogen om te snappen, simpelweg te snappen, zijn gevallen.
Zal hun twijfel over de bereidheid om zich op de valreep nog te schikken naar de grillen van het lot dat hen resteert toereikend blijken de genade af te smeken van het handjevol geliefden - mannen - dat hen trouw gebleven is, of zal de gramschap van de goden over zoveel hersenspinsels, zoveel al dan niet doorleefde avonturen, zozeer op hen drukken dat hen zelfs de broze wereld tussen schemering en dood onthouden wordt?